Jakin

Bijbeltijd – deel 1

Een verhaal uit de tijd van Mozes

Jakin is een gewone, Hebreeuwse herdersjongen, die leeft in het land Egypte in de tijd van Mozes. Zijn vader is door de Egyptenaren meegenomen naar Pitom om daar slavenarbeid te verrichten.

Nadat Egyptische soldaten zijn kudde hebben omgebracht, besluit Jakin op zoek te gaan naar zijn vader om hem te bevrijden. Al gauw wordt hij zelf ook gevangen genomen. Terwijl hij wordt weggevoerd breken de plagen uit. Uiteindelijk weet Jakin met hulp van Nakoma, een weggelopen zwarte slavin, te ontsnappen. Samen gaan ze op weg naar Pitom.

Tijdens de zwerftocht die daar op volgt breken er steeds meer plagen uit. Langzaam begint het tot het tweetal door te dringen dat Jahweh Zelf Zich over Zijn volk ontfermd heeft.

De schrijver heeft geprobeerd, met de Bijbel als leidraad, het leven van een gewone jongen tijdens de tien plagen te beschrijven.

Maar bovenal spreekt dit boek over Gods almacht, waardoor de Israëlieten uit de handen van de wrede Farao bevrijd werden, zodat ze met Mirjam konden zingen: “Zingt de Heere, want Hij is hoog verheven!”

Voor Janwillem is Jakin één van zijn favoriete boeken. Het schrijven ervan heeft hem heel wat meer moeite gekost dan bijvoorbeeld de boeken uit de serie De drie avonturiers. Hij heeft geprobeerd zich te verplaatsen in de gedachtegang van een jongen van een jaar of veertien, die leeft in het onderdrukte Egypte uit de tijd van Mozes. Daarbij realiseerde hij zich al gauw, dat Jakin helemaal niet kon weten wie Mozes was. De Bijbelse Mozes had immers veertig jaar in de woestijn rondgezworven, voordat hij door God werd teruggezonden naar Egypte.

Al studerend leerde Janwillem steeds meer bijzonderheden over de tijd waarin Jakin leefde. Daarbij ontdekte hij, dat veel van de plagen die in het Bijbelboek Exodus beschreven staan, niet alleen tegen de Farao en de Egyptenaren waren gericht, maar ook tegen hun goden. De Nijl, waarvan het water in bloed veranderde, was een heilige rivier en werd door de Egyptenaren beschouwd als een leven brengende god. Kikkers waren heilige dieren en mochten niet gedood worden. Het duidelijkste voorbeeld van een rechtstreekse confrontatie tussen God en de afgoden van de Egyptenaren is de plaag, waarbij het drie dagen stikdonker was in Egypte. Amon-Ra, de zon, was de oppergod van de Egyptenaren. Het moet een vreselijke slag voor hen geweest zijn, dat hun god, die iedere dag trouw zijn baan langs de hemel volgde, het opeens af liet weten. Alle Egyptenaren konden daardoor weten, dat niet hun god, maar Jahweh, de God van Israël, alle macht heeft in hemel en op aarde.

Er is Janwillem wel eens gevraagd, of er ook een vervolg komt op Jakin. Hij heeft daar wel over nagedacht, maar uiteindelijk besloten dat niet te doen. Het zou namelijk een vreselijk triest boek worden. Drie dagen na de doortocht door de zee begon het volk Israël al tegen God te morren, omdat ze geen water hadden. Telkens weer lees je in het boek Exodus dat het volk ongehoorzaam was, dat God strafte, dat er mensen stierven. Jakins ouders hebben het Beloofde Land nooit gezien, omdat het volk veertig jaar in de woestijn moest rondzwerven, omdat de verspieders niet op God vertrouwden. Al met al geen mooie verhalen.

Het boek ‘Jakin’ heeft later een andere titel gekregen: ‘De bevrijding van Jakin en Nakoma’. De tekst van dit boek is gelijk aan de eerste druk, alleen de plaatsjes zijn anders. Jakin heeft als vervolgverhaal in het Reformatorisch Dagblad gestaan, met bij elke aflevering tekeningen van Jaap Kramer. Een aantal van deze tekeningen is gebruikt bij de tweede druk. Veel later is Jakin opnieuw als vervolgverhaal verschenen, ditmaal in de Bim-Bam, met prachtige gekleurde tekeningen van Hans Ellens.

 

AVI 10
Nugi 222
Brus 80-90

12 jaar en ouder

ISBN 90 336 1454 5

Illustrator: Hans Ellens
Omslag: Wim Smalen

Eerste druk 1995
Tweede druk 2000 met als titel ‘De bevrijding van Jakin en Nakoma’
Derde druk 2000